Ik zet mijn beschouwingen over het auteursrechtendebat verder na de laatste aflevering in de reeks publieke debatten en events: het gesprek dat plaatsvond tijdens Muziek Digitaal.
Tijdens deze sessie deden eigenlijk voornamelijk drie sprekers hun standpunt uit de doeken. Daarna was er nog weinig sprake van debat, niet in het minst omdat de voornaamste anti-auteursrechtstem, Joost Smiers, de zaal omwille van persoonlijke redenen moest verlaten.
Deze laatste Nederlandse professor kwam de stellingen uit zijn essay ‘Adieu auteursrecht, vaarwel culturele conglomeraten’ toelichten. Hij heeft het vooral moeilijk met het feit dat auteursrecht op dit moment de macht van wat hij noemt de culturele conglomeraten versterkt. Hij heeft het hier over de grote platenfirma’s, mediaconcerns enz. die, meestal vooral vanuit een heel mercantiel perspectief, geld investeren in artiesten of projecten. Volgens Smiers wordt deze investering precies beschermd door het auteursrecht. Als zij er voldoende promotionele middelen tegenaan gooien, krijgt hun artiest heel wat aandacht in de media en kunnen ze dankzij het auteursrecht behoorlijk snel aan de kassa passeren. Het voornaamste probleem van deze monopolistische situatie is dat het de culturele differentiatie in gedrang brengt en bij uitbreiding ook de drang tot vernieuwing en creativiteit in de meer subculturele sector van het artistieke veld.
Al hebben bepaalde monopolistische tendensen in de entertainmentsector gezorgd voor een verschraling in het culturele aanbod (denken we maar aan het gebrek aan originaliteit en authenticiteit in de hitparade), Smiers laat zich toch van zijn naïefste kant zien door te stellen dat het afschaffen van het auteursrecht alle problemen zal oplossen. Zelden is de uitdrukking ‘gooi het kind met het badwater niet weg’ meer op zijn plaats geweest.
Fabienne Brison dan. Zij schetst eerst de economische context waarin het auteursrecht in de 18de eeuw is ontstaan. Omdat het systeem van mecenaten en situaties waarin artiesten leven en zich artistiek kunnen uiten bij de gratie van hun broodheren, stilaan verdwijnt, is er behoefte aan een nieuw maatschappelijk systeem dat de creativiteit van artiesten aanmoedigt. Auteursrecht biedt artiesten een financiële bescherming die ervoor zorgt dat zij hun activiteiten professioneel kunnen uitoefenen. Een professionele artistieke sector dient immers het algemene maatschappelijke belang.
Tegenover de tegenstanders van het auteursrecht voert zij aan dat het auteursrecht weldegelijk beperkt is in de tijd en dat er tal van uitzonderingen bestaan. Volgens haar is auteursrecht geen ultiem censuurmiddel van de auteur, zoals Smiers het liet uitschijnen. Verder betoogt ze dat andere rechten, zoals het mededingingsrecht, het probleem van de culturele monopolies moeten challengen. Afschaffing van het auteursrecht is niet de oplossing.
Ze meent bovendien dat de principes van het auteursrecht overeind blijven in een digitale maatschappij. Alleen is het auteursrecht in deze tijd heel moeilijk afdwingbaar en dat ligt vooral aan het feit dat het internet de markt helemaal heeft geïnternationaliseerd, terwijl de inningsstructuren nog helemaal op een nationale leest zijn geschoeid.
Brison erkent evenwel dat het auteursrecht op een aantal punten voor verbetering vatbaar is. De internationalisering is er daar een van. Verder moet het eenvoudiger en transparanter gemaakt worden voor de gebruikers. De algemene logheid van ons rechtssysteem komt uiteraard ook de reputatie van het auteursrecht niet ten goede. Bovendien vindt ze het nodig dat de sector veel beter geïnformeerd wordt: er worden immers te veel ondoordachte meningen geformuleerd. Een gebrek aan nuancering, zeker in de media, is iets waar ook ik me al vaker blauw aan geërgerd heb.
Tenslotte komt Luc Gulinck nog eens aan het woord. Hij betoogt voornamelijk dat er sinds het ontstaan van het auteursrecht een voortdurende weging wordt gemaakt tussen materiële en immateriële eigendom. Het is maatschappelijk gezien behoorlijk evident dat een huis of een auto iemand toebehoort. Bij minder tastbare zaken zoals een idee of een muziekstuk is het veel moeilijker om de waarde daarvan te bepalen en de daarmee verbonden eigendomsrechten te gaan toewijzen. Auteursrecht probeert de waarde van immateriële eigendom vast te leggen en moet de creator van immateriële eigendom financieel beschermen. Zoals ook Brison al betoogde, stelt dat de creator in staat om zijn activiteiten op een professionele manier aan te pakken.
Volgens Gulinck wordt er vandaag langs alle kanten ingebeukt tegen het auteursrecht en worden dus bij uitbreiding de immateriële eigendomsrechten in vraag gesteld. ‘Als auteursrecht afgeschaft wordt en alle ideeën, muziek, enz. “van iedereen” zijn, zal ik dan ook maar bij jou thuis in de zetel gaan zitten?’ vraagt Gulinck zich als zelfverklaarde cryptocommunist af. Als we allemaal vrijelijk mogen gebruik maken van immateriële eigendom – of eigenlijk met auteursrecht tegelijk ook het concept immateriële eigendom ongedaan maken – waarom zouden we dat dan niet moeten doortrekken naar materiële eigendom?
Bovenal maakt Gulinck zich echter zorgen over de amateurisering van de sector. Wanneer de fundamenten van het auteursrecht ondermijnd worden, komt ook de financiële basis van de artistieke sector in gevaar. Minder geld betekent ook minder mogelijkheden om zich volledig aan zijn artistieke activiteit te wijden, met een daling van het artistieke niveau tot gevolg.
Met zijn observaties over de amateurising van de sector slaat Gulinck misschien net de nagel op de kop. Mijns insziens zorgt de digitale revolutie voor een grote dematerialiseringsoperatie. Er zijn dankzij het internet nog nooit zo veel immateriële goederen gecreëerd als nu. Iedereen blogt, filmt en fotografeert er maar op los, zit in zijn goedkope homestudio aan muziekjes te knutselen, gooit ze vol voldoening op het net en verheugt zich in de schouderklopjes van (al dan niet virtuele) vrienden. Het zijn gouden tijden voor amateurjournalisten, -fotografen en -muzikanten. Omdat er zo’n overvloed ontstaat aan immateriële goederen, daalt echter de waarde van een individueel goed: het wordt niet meer evident dat voor alle goederen betaald moet worden. Een gevolg van de economische relatie tussen prijs enerzijds en overvloed vs. schaarste anderzijds.
Is de amateurisering van de muzieksector (of de artistieke sector in het algemeen) een slechte zaak? Dat mensen steeds meer kansen krijgen om met hun ‘liefhebberij’ bezig te zijn, is maatschappelijk gezien alleen maar toe te juichen. Een en ander heeft misschien ook te maken met het feit dat de muzieksector door de toenemende ‘materialisering’ in de 20ste eeuw een beetje boven zijn normale capaciteit is uitgegroeid. Het ongrijpbare aspect van muziek werd achtereenvolgens gematerialiseerd en gecommercialiseerd door middel van partituren, fonogrammen, cassettes en cd’s, met een wat overvette muziekbusiness tot gevolg. Nu maken we allicht de tegenovergestelde golf mee: de digitalisering immaterialiseert de muziek opnieuw tot ongrijpbare bits en bytes.
Dit zal vermoedelijk leiden tot een inkrimping van de business, maar ik denk persoonlijk dat deze inkrimping vooral betrekking zal hebben op alles wat ergens rond de artistieke activiteit hangt. De vraag naar artistieke uitmuntendheid zal blijven bestaan en de toekomst voor de getalenteerde, gedreven, gepassioneerde artiest met professionele ambities zie ik minder negatief.
Ik meen echter dat het eerder conservatieve auteursrechtendiscours van Gulinck en consoorten zich niet op het juiste segment van de professionele muziekbeoefening richt. Het huidige auteursrechtensysteem consolideert voornamelijk de financiële positie van de reeds gevestigde professionele beoefenaars. Ik heb al eerder betoogd dat het huidige auteursrecht schromelijk tekort schiet in het bedienen van de nieuwe, jonge talenten die trachten de stap van amateur naar professioneel te zetten. In de huidige context (‘aandacht is de nieuwe schaarste’) is het auteursrecht veel te restrictief en daarom bedient deze jonge garde zich dan ook vaak van alternatieven zoals Creative Commons. Zoals ook reeds gezegd, is Creative Commons niet echt meer zo interessant op het moment dat je de knop wil omdraaien van ‘hoe meer het verspreid wordt, hoe beter’ naar ‘nu ben ik wel bekend genoeg, nu wil ik er stilaan centjes mee gaan verdienen en mijn investering terugwinnen’. Het verstarde auteursrecht laat dus voornamelijk de jonge veulens in de kou staan en, met alle respect voor de verwezenlijkingen van de ‘oudere garde’, het is toch in de eerste plaats van hen dat we vernieuwing en culturele creativiteit moeten verwachten.
Het is dus van algemeen gemeenschappelijk belang dat het auteursrecht herdacht en geüpdate wordt en een goede bescherming biedt voor de jonge, digitale, ‘tech savy’ generatie. Dat betekent volgens mij in de eerste plaats een flexibilisering van het auteursrecht. Het steekt me bijvoorbeeld bijzonder hard dat ik verplicht ben als lid van Sabam om mijn hele repertoire bij hen in beheer te nemen en dat zij dus ook voor elk werk tot inning overgaan. Als beginnend artiest snijd ik daarmee in mijn eigen vel. Ik wil als artiest zelf kunnen beslissen welk werk ik bij wijze van promotie vrij wil laten circuleren en voor welk werk ik wel een vergoeding wil krijgen. Ik registreer bij Sabam elk werk afzonderlijk en krijg een afrekening per werk. Hoe moeilijk kan het zijn om in de database per werk een kolom toe te voegen ‘innen/niet innen’ en om mij de mogelijkheid te geven zelf die kolom uit- of aan te vinken?
‘Het is allemaal veel moeilijker en complexer dan je denkt,’ krijg ik dan als antwoord, over het algemeen van mensen die geen flauw benul hebben over hoe een database of een computerprogramma in elkaar zit. Niet dat ik daar een specialist in ben, maar ik heb er toch een notie van. Maar het is uiteraard complex, omdat er in de wereld honderden beheersvennootschappen zijn, elk met hun eigen (allicht vaak technologisch achterhaald) systeem en het meeste gebrek aan transparantie is te wijten aan de onmogelijkheid om die systemen met elkaar te matchen (en bovendien matchen ze dan weer niet met de database van iTunes, enzovoort).
Dus ja, vereenvoudiging en internationalisering met als doel een eenvoudig, eengemaakt, internationaal systeem is de eerste prioriteit. Ik denk dat we ons hierbij vooral kritische vragen moeten stellen bij de competenties van de mensen die deze databasesystemen hebben opgezet of moeten opzetten. Als Sabamlid ben ik eigenlijk heel nieuwsgierig naar de interne keuken van de IT-afdeling. In dit tijdperk is de IT-structuur van wat in se een databedrijf is, cruciaal. Enkel de meest competente mensen zijn daar op hun plaats, zeker als dit in een internationaal perspectief wordt aangepakt. Geen geleuter meer over ‘hoe ingewikkeld het allemaal wel is’, geen excuses om zich achter te verschuilen en dan vooral niets te moeten doen. Wel een gemotiveerd, competent team dat de problemen ten volle wil aanpakken, dat een probleem als een ‘opportuniteit’ ziet, om het met de woorden van een Belgisch IT-er te zeggen.